maandag 30 januari 2017

Meer dan een afscheid

Meer dan een afscheid

Samenleven is ook samen het leven afsluiten

Meer dan een afscheid waren die lange maanden waarin Christien haar doodzieke man verzorgde. Elke dag zag zij, hoe hij haar meer ontglipte, en wilde ze de gelukkige momenten vasthouden, omdat ze de laatste waren. 
Ze dacht dat ze het niet zou kunnen. Maar dan waren er de vrienden en familieleden, de buren en kennissen. Samen zorgden zij ervoor dat Luciano thuis, in zijn eigen vertrouwde omgeving kon sterven.
Toen het voorbij was, begon Christien te schrijven. 
Over die weken van lijden, maar ook over die goede, unieke momenten. Eigenlijk niet meer dan een feitenrelaas, maar geschreven met zoveel warmte en gevoel, dat het de lezer nog lange tijd heel stil maakt.
Hier volgt haar relaas.

Drie maanden, misschien meer. Maar hij mag het niet weten.

Eind november wordt Luciano geopereerd aan een zweertje in de twaalfvingerige darm. Onverwachts, twee dagen voor Kerstmis, mag hij naar huis. Hij mag alles eten en drinken. Ampullen voor injecties krijgt hij mee.

Als de feestdagen voorbij zijn, moet ik naar de huisarts. We weten immers niet, wat we met die injecties moeten doen. De dokter vertelt, dat Luciano iedere maandag zo’n injectie moet hebben. 
Het is een kuur, die waarschijnlijk twee jaar gaat duren. Want, zegt de dokter, Luciano had een flinke tumor. Een kwaadaardige. Ze hebben alles weg kunnen halen. Alleen zijn er nog een paar kliertjes achtergebleven. En ze wisten nog niet wat dat zou worden. “Maar dat mag je man beslist niet weten,” zegt de dokter.

Terug van de dokter voel ik me terneergeslagen en ik vertel aan Luciano, dat hij voortaan elke maandag naar het ziekenhuis moet voor een injectie. Luciano stelt geen vragen.

Voordat Luciano ziek werd, stond hij iedere dag om half zes op. Hij werkte op een fabriek van betonnen bouwelementen. Hij vond het niet leuk en hij vond het niet erg.
Luciano vond, dat we een best leventje hadden. Hij hield ervan na zijn werk lekker pasta te eten en dan zijn Italiaanse krant van a tot z door te lezen. En vroeg naar bed te gaan. Ons huis was voor Luciano alles. Wat hem betrof hoefden we nooit weg te gaan. 
Wanneer we eens op stap waren geweest, kon hij innig tevreden ons flatje binnenstappen en zeggen: “Caseda, mia caseda" (Huisje, mijn huisje). “Wat hebben we het toch goed, hè?" zei hij er dan achteraan.

Je loopt zo vaak op straat, als iemand je een bus onder je neus duwt. Hartziekten- kinderbescherming- kankerbestrijding. Je staat er nooit bij stil. Je gooit maar wat in de bus. Dan ben je er van af.”

In de zomer, met vakantie. Drie keer zijn we naar Italië geweest, naar zijn geboorteplaats Maglie, dat bij Lecce ligt, in de hak van de laars. Op dat smoorhete, witte, droge land heeft Luciano vanaf zijn tiende moeten werken. Wieden, planten, snoeien, plukken, oogsten, water geven. De godganse dag, de hele zomer lang, tien, vijftien zomers achter elkaar.

Via de suikerbietenvelden in Noord-Frankrijk is Luciano in Nederland gekomen. In Rotterdam, waar ik hem samen met mijn vriendin te midden van een clubje Italiaanse vrienden op de dansvloer heb leren kennen. Elf jaar geleden ben ik met die lange, sterke, blonde Italiaan getrouwd. Zijn Nederlands was erbarmelijk, maar wat kon dat schelen? Ik leerde wel Italiaans.

Het komt allemaal wel goed

Het wordt zomer, de eerste zomer na die operatie van Luciano. We gaan naar Italië voor zeven weken. Voor de eerste keer met het vliegtuig. Alles loopt prima. Luciano heeft helemaal geen pijn. Hij eet goed.
Weer thuis kan hij moeilijk zijn draai vinden. Hij heeft het helemaal niet naar zijn zin. Heel de dag zit hij in de stoel voor het raam. Het weer is erg slecht. Het regent en het is somber. We hebben het niet gemakkelijk. We lopen elkaar in de weg. Luciano verveelt zich verschrikkelijk. Hij wil niet lezen en heeft geen zin om ook maar iets te ondernemen. 
Ik praat erover met de specialist. Het is voor uw man het beste,” zegt hij, “om wat te gaan doen.” 
Maar Luciano heeft helemaal geen hobby's. “Luciano,” zeg ik, “als ik nu eens een baantje ging zoeken voor halve dagen of voor een paar uurtjes in de week? Dan zou jij een beetje het huishouden kunnen doen, de kinderen uit school halen en zo.” 
Hij voelt er wel wat voor. Niet dat we het geld zo vreselijk hard nodig hebben, maar een beetje extra verdienste is best fijn. 
Vier keer per dag moet Luciano nu het huis uit om ons dochtertje van vier naar de kleuterschool te brengen en weer af te halen. Ook de boodschappen doet hij. Op deze manier gaat het goed. Luciano heeft zo toch het gevoel dat hij ook meetelt.

In oktober voelt Luciano zich niet zo goed. Hij heeft soms pijn. Vaak is hij vreselijk moe. Hij heeft geen zin om iets aan te pakken. De bezoeken aan de specialist op de maandagen gaan gewoon door. Maar ik ga nu elke keer mee. En nu, in oktober, vindt de specialist het nodig dat Luciano een nieuw, groot onderzoek krijgt. In afwachting van de oproep van de kliniek zeg ik mijn baantje op. 
Het gaat om een milt- en leveronderzoek, hebben ze ons verteld. Maar of Luciano er iets van begrepen heeft, weet ik niet. Ik denk van niet.

Ik ben er slecht uit gaan zien. Ik kan niet slapen. Ik ben erg mager. Mijn haar zit armoedig, maar wat heeft het voor zin er iets aan te doen? Ik moet niet denken, niet piekeren. De hoofdzuster heeft gezegd dat, als het aan zijn milt was, ze nog konden opereren. Maar dat, als het dat andere was... Ja, dan weten we het wel. Het wordt niet uitgesproken. Maar het is duidelijk dat er dan niets meer aan te doen valt.
Probeer aan iets anders te denken," houd ik mezelf voor. Kijk naar Luciano. Hij zit gezellig in de wachtkamer te praten. Hij houdt mijn hand vast. Zegt, dat ik me niet zoveel zorgen moet maken om hem. Dat het met hem allemaal goed komt.

Wachten op de uitslag. Twee weken. Ik vraag, want ik wil weten. Aan de hoofdzuster, de zusters, de broeders. Niemand heeft iets van de uitslag gehoord. 't Is toch te gek! Ik moet een afspraak met de specialist maken. Het is vast niet goed. Ze durven het niet aan, met de waarheid op de proppen te komen. Eindelijk wil de specialist met me praten. Ik heb pijn in mijn buik van angst. Ik weet wat hij gaat zeggen als ik daar binnen ben. Als het mijn beurt is, zal ik het onherroepelijke horen. Was er maar iemand met me meegegaan om hier op de bank te zitten dan kon ik tenminste wat zeggen. Doet er niet toe wat. Geeft niet wie.
Mevrouw Negro.” Nu is het gebeurd. “Drie maanden. Misschien meer. Maar geen jaar. Uw man is jong. Hij heeft een sterk hart. Maar zegt u het hem niet. Hij mag het niet weten. En mocht hij over Italië beginnen of over zijn ziek-zijn, dan moet u daar zeker op ingaan...”

Luciano weet van niets

Niet ver van hier woont dokter Moerman. We hebben vaak over hem horen vertellen. Mensen komen naar me toe, zelfs mensen uit de straat, die ik helemaal niet ken. “Waarom probeer je niet er met je man naar toe te gaan? Je hebt toch zeker niets te verliezen?” 
Nee - te verliezen hebben we niets. Maar zo gemakkelijk is het ook weer niet om aan Luciano te vertellen, dat hij maar naar een andere dokter moet gaan, omdat de specialist voor hem niets meer kan doen. 
En dat terwijl hij nog steeds nergens van weet, terwijl hij nog steeds zegt, dat alles wel goed zal komen, omdat hij immers de regels van de specialist in acht neemt, de pillen slikt en de injecties haalt. Hoe moet ik hem dat zeggen? Mag ik hem dat zeggen?
Ik bel naar dokter Moerman. om een afspraak. Ik zal wel zien wat ervan komt. Hoe vaak ik gebeld heb om die afspraak, weet ik niet meer. De eerste keer was in november. De keer dat het me lukte, was eind februari. Zó druk had dokter Moerman. het met al die hopeloze gevallen...

De weken gaan voorbij. De pijn komt vaker en heviger opzetten. Als de pijn er is, kan Luciano niet blijven zitten. 
Dat is moeilijk om aan te zien. Ik ben zo machteloos, dat ik in mezelf huil. Ik kan niets doen. Ik kan niet helpen, niet verlichten. “God, laat hem alsjeblieft niet zo'n lange lijdensweg moeten gaan.” 
Je hoort het zo vaak, dat mensen met kanker in een ziekenhuis liggen. Maanden moeten ze soms wachten op de dood. 
“God, geef me de kracht om zélf voor Luciano te kunnen zorgen tot hij doodgaat. Dat ik ervoor kan zorgen, dat hij niet naar zo'n ziekenhuis hoeft, waar hij de mensen niet eens goed kan verstaan, omdat hij Italiaan is.”

Luciano weet nog altijd niets. Ik heb het erg moeilijk mee, dat ik er met hem niet over kan praten. De specialist vindt dat beter voor Luciano. 
Maar de pijn komt; wordt onverdraaglijk. Luciano kan niet zitten en 's nachts kan hij niet liggen. 
Ik ben leeg, doodop en krijg huilbuien. Maar waar moet ik uithuilen? Soms sta ik even in de keuken en laat mezelf gaan. Maar dan is Luciano er weer, die vraagt of ik me niet lekker voel. Die ziet dat ik gehuild heb en die wil weten waarom. Dan zeg ik maar dat ik het niet weet. Dat ik me niet lekker voel. Dat ik hoofdpijn heb en dat het wel weer zal overgaan.

Het wordt te gek: op de fiets naar het ziekenhuis. De laatste keer dat we op de fiets gingen, was ik bang dat hij het niet zou halen. Zijn hoofd lag bijna op het stuur en hij kwam haast niet vooruit. Het laatste stukje hebben we toen gelopen. 
In het ziekenhuis kan hij van de pijn niet zitten. Luciano knijpt in mijn wangen, lacht naar me en zegt: “Hoe gaat het met je? Je ziet er niet goed uit.” Hij heeft kanker en zegt tegen mij dat ik er niet goed uit zie. Maar ik krijg het voor elkaar om niet in tranen uit te barsten.

Ik kan dat niet meer: ik kan niet weten wat ik weet en dan, als ik thuiskom, een ander mens zijn. De Christien die mét Luciano gelooft in betere tijden en mét hem hoopt op beterschap”.

Luciano kan de kinderen, Umberto, onze zoon, en Angelica, onze dochter, nauwelijks meer verdragen Ze zijn amper tussen de middag thuis om te eten of hij zegt dat ze maar weer naar school moeten.
Ik praat op school over de mogelijkheden om over te blijven. De meester van Umberto vraagt of er in de buurt geen kennissen wonen, waar de jongen tussen de middag kan blijven. Ik ken één gezin. De kinderen zullen daar voortaan tussen twaalf en twee heen gaan. Dat is geen probleem, zeggen Corrie en Hans, die zelf ook twee kinderen hebben, van wie de jongste bij onze zoon in de klas zit.
Thuis zit Luciano helemaal suf van de medicijnen in zijn stoel. Als hij ze slikt, heeft hij geen pijn. Maar een gesprek kan hij niet meer volgen. Hij hoort ons wel praten, maar dan heel ver weg.

Je wist het toch al, Luciano?”

Het is bij half één. Corrie en Hans beginnen aanstalten te maken om naar huis te gaan. Ze zijn om goed elf uur gekomen. Hans heeft, zoals z'n gewoonte is, de crapaud-op-wieltjes dichter naar de bank gerold; heeft er lui in gehangen. Waarover praten we? Het begint doorgaans over Luciano ‘s toestand. Over het slapen, het zitten, het liggen en het lopen. “Moet je voelen,” zegt Luciano en leidt de hand van de bezoeker naar zijn buik, die hard is als steen. Hij doet dat niet bij iedere bezoeker natuurlijk, maar bij een paar vaste klanten. Zoals bij Corrie en Hans.

Is Luciano moe of wordt hij door de pijn geplaagd, dan zwijgen we veel. Gaat het goed met Luciano, dan komen de verhalen bij hem los. Over thuis, over Italië, over zijn werk. Het liefst spreekt Luciano over het eten. Over recepten en bijzondere liflafjes, Over hoe zijn moeder dit klaarmaakte en dat. Over wijn en olijven en de citroenbomen. En ongemerkt drijft dat hem tot geestdrift, een liefdesverklaring aan zijn geboortestreek.

Zo zitten we één uur, twee uur. Luciano verlegt heel moeizaam zijn zieke lijf. Duwt zich met zijn armen in een zithouding en glimlacht meewarig naar de late gasten, die met hem zitten te schemeren. Er is een verstandhouding tussen ons drieën, de gezonden in de kamer. Wij delen een geheim - het geheim van zijn onafwendbare dood. Het zijn er maar weinig, die hem niet trachten op te monteren door opmerkingen te maken als: “Je ziel er toch best goed uit, Luciano.”
Corrie en Hans doen dat nooit. Ze wachten met mij op het moment waarop Luciano het teken zal geven het geheim met ons te willen delen. Ik verlang ernaar. Ik wil niet dat hij dommig blijft hopen op verbetering, op een ommekeer, op herstel. Ik wil dat hij het weet. Dat we samen kunnen praten en dit leven bewust kunnen afsluiten. Dit leven uitpraten. Begrijpt die man van mij dan niet, dat hij kanker heeft? Dat zijn lijf stijf staat van de uitzaaiingen? Dat hij over maanden of over weken zal stikken of inwendig bloeden tot hij dood is, of zal zijn opgebrand en weggeteerd? Waarin gelooft hij nog, tegen beter weten in? 
Ik wacht op het sein, nu we hier zitten. De flat is stil, de straat is stil, wij zwijgen. Terwijl er zoveel tussen ons onuitgesproken is.

Christien, het is afgelopen”

Op een van de avonden, toen Corrie en Hans opstonden om naar huis te gaan, heeft Luciano gezegd: “Alweer een dag minder.”
Samen met Hans ga ik naar de specialist. Vindt de dokter ook, dat dit het sein is waarop ik heb gewacht? Hij gelooft het ook. “Ik zal maandag met hem praten, als hij om zijn prik komt,” zegt de specialist. “Het zal het makkelijker voor u beiden maken. Misschien niet in het begin - maar dat gaat voorbij. Daarna zal het beter zijn.”
O, ik hoop het zo. Ik kan niet slapen van de spanning. 
Hoe zal Luciano reageren als de dokter het hem vertelt? 
Doen we er goed aan – hebben we zijn noodkreet goed uitgelegd? 
Weet Luciano al dat zijn dood onvermijdelijk is? 
Zal ik met Luciano kunnen praten, nadat de dokter het hem gezegd heeft? 
Al die vragen houden me wakker.
Wat een verantwoording. Soms denk ik dat het te veel is wat een mens moet meemaken. Je komt er toch maar ineens vóór te staan - je hebt er geen opleiding voor gehad. 
Wat is dit voor een samenleving waarin je alles leert over baby's maken, kinderen krijgen en verzorgen, maar niets over doodgaan. 
Hoe je het moet doen, als het jezelf betreft. Wat je moet doen als het een naaste is die sterven moet?
Alleen op mijn woord meent de dokter nu, dat Luciano rijp is om het oordeel te horen. Maar wat als mijn oren alleen gehoord hebben wat ze al zo lang wilden horen...? Misschien hebben we het allemaal fout getaxeerd. Het heet toch: Wat niet weet, wat niet deert? Zo'n warboel is het in mijn hoofd. En ik wacht met angst op maandag, als Luciano trouw om zijn injectie zal zijn geweest.
IJzig kalm is Luciano met mij mee naar huis gegaan en ligt nu op de bank. Ik durf nergens over te beginnen. Ik kijk naar hem. Hij kijkt naar mij. De kinderen komen thuis. “Vanavond wil ik wel even met je praten. Als de kinderen naar bed zijn,” zegt Luciano.
's Avonds zit ik op de grond naast zijn stoel en wacht met kloppend hart, totdat Luciano zal beginnen. Zal hij het kunnen zeggen? Maar hij voelt aan, dat ik op hem wacht.
Hij zegt: “Christien, het is afgelopen. Dokter de K. kan niets meer aan mij doen...” 
Ik schrik. Zou die man dat zo cru hebben gezegd? “Nee, niet zo,” zegt Luciano. “Hij draaide eromheen. Hij zei: “Meneer Negro, waarom gaat u niet lekker een poosje met vakantie, naar Italië.” En toen ik daarop zei: “Nou, misschien van de zomer wel, als het lekker warm is; daar zal ik wel van opknappen...” toen zei hij: “Ik denk niet dat het nog zal helpen.”
Luciano zwijgt. Hij laat het hoofd hangen. Kijkt recht omlaag tussen zijn voeten in de ribfluwelen pantoffels. Ik streel zijn been. 
“En toen kreeg ik het vermoeden," zegt Luciano eindelijk. Het vermoeden. Toen kreeg hij het vermoeden? “Maar je wist het toch al, Luciano? Je wist het toch?”
Nee Christien, ik wist het niet.” Hij lacht zielig. Ik leg zijn hand tegen mijn wang en huil. Ik huil om hem en om mezelf. Hoe kan de hemel toelaten dat er ook nog zulke misverstanden kunnen ontstaan? Zijn de pijn en de aftakeling niet genoeg? Moeten wij elkaar dan óók nog eens niet kunnen begrijpen...?


Nu alles voorbij is, voel ik een jaloersheid als ik oudere mensen voorbij zie wandelen. Zo'n paar vormen, denk ik dan, dat is er voor ons niet bij. Samen oud worden, bij elkaar zijn tot je oude dag”.

Maar deze komedie had toch niet langer kunnen of mogen duren? 
Er moest toch eerlijkheid komen? 
Nu heeft hij toch de kans om, wetende, afscheid te nemen van het leven, van de mensen om hem heen, van mij? 
Nu weten we toch allebei hoever het met ons gekomen is?
Ik huil en Luciano strijkt over mijn haren. Hij zegt: “Ik begrijp nu, Christien, wat je in de keuken moest verbergen voor mij. Nu begrijp ik dat je niet kon slapen. Dat viel niet mee, om het alléén te weten.”
Luciano zit stil in zijn stoel. IJsbeert dan door de kamer, van de kamer naar de keuken. Vandaar naar de slaapkamer en de kamers van de kinderen. En zegt niets. Ik volg hem met m'n ogen. Zo onopvallend als ik kan. 
“Prààt dan toch, man!” roep ik inwendig. Maar hij blijft er doof voor, zoals hij er doof voor is als ik met mijn stem vraag wat hem zo kwelt. Ik probeer het op veel manieren. Niet een is er goed. Hij wijst het af met een “O. Niets...” Of: “Ach, Christien, laat maar zitten...” 
Hij leeft tussen ons in als op een eilandje. Hij onttrekt zich aan het leventje dat wij hebben en ik zoek koortsig naar afleiding, als ik er dan toch niet voor kan zorgen dat hij zijn hart uitstort.

Dààr kunnen ze lachen”

La Befana is het feest voor de Italiaanse kinderen. Het is op 6 januari, Driekoningen. De Italiaanse gemeenschap in Rotterdam viert het elk jaar. De ouders komen met de kinderen mee. Er zijn cadeautjes, er worden films gedraaid. Er wordt wat gedronken. 
Mijn hoofd staat er niet naar. Niet dit jaar. En voor Luciano moet het dodelijk vermoeiend zijn. Toch wil Luciano er heen. Het is al weer zo'n tijd geleden, dat hij zijn vrienden heeft gezien. Maar van zijn vrienden ziet Luciano niet veel. In die zaal vol tafeltjes zit hij met mij als op een eilandje.
Zijn landgenoten, zijn vrienden in een vreemd land, durven niet naar hem toe te komen. Ze zwaaien uit de verte, maar blijven mooi weg van mijn magere, broodmagere man. 
Later word ik door verschillenden van hen opgebeld. “Wat zag hij er vreselijk uit”, “wat was hij mager” en “wat waren ze geschrokken.” 
Ze waren maar niet naar hem toe gekomen, want “wat moet je zeggen?” Ze waren misschien wel slappelingen, maar ze konden het niet opbrengen. Of ik niet beter thuis had kunnen blijven? Of het eigenlijk niet te dol was, dat ik met zo'n zieke man nota bene met de bus naar Rotterdam was gereisd? Je lijkt wel gek, zeiden ze, om met zo iemand over straat te gaan...

Vandaag zou ik het dan maar weer eens proberen, dokter Moerman te bellen voor een afspraak. Ik krijg ditmaal niet de secretaresse, maar een dokter aan de telefoon. Hij begint meteen allerlei dingen over Luciano te vragen. Ik weet zeker dat het me deze keer gaat lukken! “Kom maar in de namiddag,” zegt de dokter tenslotte. 
Ik kan wel huilen, lachen, de gekste dingen doen. Om vijf uur kunnen we komen. 
Dokter Moerman zal Luciano onderzoeken. Hij zal zien of hij mijn man nog kan helpen. Tot vijf uur hebben we nieuwe hoop. Hoop op het verlossende woord van de wonderdokter. 
“We gaan er wat aan doen,” zegt dokter Moerman, als Luciano zich aankleedt. Voor mij is dat nog geen goed antwoord. 
“Maar wat denkt u ervan, dokter?” vraag ik. 
“Ach, het ziet er voor mij niet slecht uit,” zegt hij. “Uw man moet wel direct stoppen met de injecties van het ziekenhuis. Ook stoppen met de medicijnen. Dat is allemaal troep en vergif voor hem. Ik zal hem een dieet en vitaminetabletten geven.”

Ik moet betalen en mag met Luciano over drie weken terugkomen. We zijn gelukkig en tevreden. 
Luciano heeft wel vertrouwen in dokter Moerman. Hij houdt zich aan het dieet. Het gaat ook eigenlijk prima met Luciano. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er ook steeds meer vertrouwen in ga krijgen. Dus gaan we ermee door.

Op dinsdag en vrijdag heeft Luciano een vast uitstapje. Hij gaat naar Corrie en Hans en brengt de bibliotheekboeken naar Corrie. Die neemt ze mee en ruilt ze om voor nieuwe. 
Vanaf het balkon kan ik hem nazien. Mijn man. Lang, schraal en in een te groot geworden kostuum. Terwijl hij, als typische Italiaan, altijd zo gek is geweest met mooie kleren, strakke snit, scherpe vouwen. 
Nu slobbert zijn jasje om zijn gebogen rug en maken zijn schouderbladen dat het lijkt alsof het hangertje erin is blijven zitten. Langzaam, gebogen, een oude man met nog weinig haren - de morfine heeft hem kaal gemaakt - loopt hij aandachtig over het tegelpad de kleine honderd meter van ons huis naar de groene schutting, waarboven het huis van Corrie en Hans uitsteekt.

Een van die keren blijft Luciano langer dan gewoonlijk weg. We zitten aan tafel op hem te wachten, maar hij komt niet opdagen. 
“Ga papa eens even zeggen dat we op hem zitten te wachten,” zeg ik tegen Umberto. 
Na een paar minuten zijn ze er “Jeetje, Luciano, het is al hartstikke laat. De macaroni lijkt wel een bonk meel. Waar ben je zo lang gebleven?” 
Hij kijkt een beetje schuldig. “Het was zo gezellig,” zegt hij, “en met Corrie kun je zo lachen. Dat is een mooie, hoor...” Ik kan plotseling wel huilen. Ik val uit tegen Luciano. “Ja,” roep ik woedend, “daar is het gezellig, hè? Dààr kunnen ze lachen. Maar dààr staan ze ook niet in onze schoenen...” 
Op het moment dat ik het eruit gooi, heb ik er spijt van. Ik begin te huilen en snotter dat ik er niets van meen. Dat ik gewoon overstuur ben en me aanstel en dat het fijn is voor hem ergens heen te kunnen, waar hij kan praten en waar ze zelfs voluit kunnen lachen. En mijn Luciano neemt me in zijn armen en zegt dat hij het allemaal begrijpt.

U moet er nodig eens uit”

Dokters, dokters. 
Nu heb ik weer een afspraak gemaakt met de huisarts en ditmaal voor mezelf. Ik eet niet meer, ik voel me vaak misselijk en als ik buiten kom, word ik duizelig. 
Luciano is er bang voor, dat ik ziek zal worden. Iedere keer als hij merkt dat er iets met me is, zegt hij: “Christien, word alsjeblieft niet ziek, want wat moet ik zonder jou beginnen? Als jij ziek wordt, dan ben ik niks.” 
En dat maakt mijzelf ook zo angstig, dat ik iets zal krijgen. Zenuwtabletten en slaappillen schrijft de dokter voor. Ik moet het rustig aan doen. Ik ben wat overspannen. Ik zou er eens uit moeten, zegt hij...

Corrie heeft doorgedrukt dat we een dagje naar Amsterdam gaan. Samen. 
Hans zal bij Luciano en de kinderen blijven. 
We sjouwen de hele dag door de stad. Naar het Rijksmuseum, naar Madame Tussaud. 
’s Middags eten we gebak bij De Bijenkorf en 's avonds ravioli in een piepklein Italiaans eethuisje. We drinken wijn. We lachen als schoolmeisjes en praten als de vrouwen die we zijn. Over Luciano... Het is tegelijk goed en onwerkelijk. Vreemd en ongepast. 
Soms voel ik dat ik hier niet hoor, dat het niet echt is wat ik beleef. Het is prachtig weer. We zien de jonge stelletjes buiten voorbijgaan. 
Dan denk ik hoe het geweest is, vroeger. Zonder zorgen verliefd. Het plezier dat we hebben beleefd. Het uitgaan met Luciano en zijn club Italiaanse vrienden. Dat was een fijne tijd. 

Die avond brengen we uit Amsterdam een cadeautje voor de kinderen mee en een doosje kaasblokjes voor Luciano. Hans zijn we vergeten, de ziel. 
Ik ben doodop. Maar het is een lekker soort van moe-zijn. Ik heb het gevoel dat ik er nu weer tegenop kan.

Soms overvalt Christien de twijfel of ze er wel goed aan doet haar stervende man zelf te verzorgen. Dan levert zij een ware strijd met zichzelf, maar ook met sommige dokters en met de gangbare opinie. 
In het ziekenhuis zal zijn lijden immers met behulp van medicijnen verkort worden. Maar als Luciano glimlacht wanneer hij zich, gerustgesteld, in de geborgen huiselijke sfeer weet, verdwijnen de twijfels. 
Dan wéét Christien dat dit het afscheid is dat ook hij wenst. En in die zekerheid wordt zij gesterkt door dat handjevol prachtige mensen, die tot het einde toe in en uit lopen om Luciano in zijn laatste ogenblikken niet alleen te laten.

Ik kende haar alleen maar van de ogenblikken, waarop we op dezelfde stoep stonden te wachten op het moment, dat de kleuters uit school naar buiten kwamen. 
Hoe we aan de praat zijn geraakt, weet ik niet meer. Maar zij, Laura, en haar man Wim –twee vreemden - zijn voor ons een uitkomst geweest als weinig anderen. Toen het moment kwam dat Luciano de levendigheid van zijn zoon en dochter niet meer kon verdragen, waren zij er. 

Umberto kan bij Hans en Corrie terecht; hij is ook veel wijzer dan zijn zusje. Begrijpt de situatie en houdt zich stil en gedrukt. 
Maar Angelica gaat het helemaal boven de pet. 

Op een middag heeft Luciano het zo ontzettend benauwd, dat het niet meer om aan te zien is. Radeloos bel ik dokter Moerman... 
“Heeft uw man de medicijnen ingenomen?” vraagt hij. 
“Ja,” zeg ik, “maar het wordt steeds erger.” 
“Dan moet u het ziekenhuis maar bellen,” zegt hij. “Daar zullen ze hem wel opereren en een katheter geven.” 
 “Ja, dokter.”
Ik bel de huisdokter. Hij zal het ziekenhuis waarschuwen en over een half uur terug bellen.

Luciano volgt mijn telefoontjes stom en met een angstige blik. Allebei zijn we zo bang, zo vreselijk bang dat het dan toch zal gebeuren. Dat hij niet langer thuis zal zijn. 
We schrikken van de telefoon. De huisdokter heeft geregeld dat Luciano onmiddellijk kan worden opgenomen. 
“Ja,” zeg ik, “dat is wel mooi, maar wat gaan ze eraan doen?” 
“Niets, mevrouw. We kunnen helemaal niets meer doen. Maar maandag komt de internist terug van vakantie en die kan er dan naar kijken.” 
“Dus u bedoelt,” zeg ik, “dat als Luciano nu weg moet, hij vier dagen zo maar moet liggen en dat er verder niets gedaan wordt? O nee, dokter. Dat doe ik mijn man niet aan. Dan blijft hij thuis.” 
En ik vertel hem dat ik zo lang als het nog mogelijk is Luciano thuis zal houden. 
“Ik kom iedere week wel even langs,” zegt de huisdokter. 
En dat is het dan. Finito. Afgelopen.

Luciano hoef ik niets te vertellen. Hij heeft het allemaal goed begrepen. Even ben ik nog bang voor zijn reactie. Maar hij zegt alleen maar: “ik ben blij, Christien, dat ik thuis mag blijven.”

Luciano staat voor de spiegel. “Wat zie ik eruit” zegt hij, en zijn ogen zoeken angstig de mijne. Wat kan ik zeggen? Wat kan ik ontkennen? “Ja, Luciano” zeg ik “wat zie je er uit..”

Een echte vakantie

Het is een dwaas plan. Het is gekheid. Maar ze menen het en het gaat gebeuren. 
Met Pinksteren gaan we een weekend doorbrengen in Brabant. Corrie en Hans hebben daar een huisje op het land. 
We gaan met ons vieren, want Corrie heeft haar kinderen uitbesteed en onze kinderen kunnen bij familie logeren. 
Vrijdagavond voor Pinksteren rijdt Hans zijn auto voor de deur. De voorbank van de auto hebben ze zo met kussens en lappen schuimrubber opgevuld, dat er een soort bed is ontstaan. We gaan met opzet laat weg om zo min mogelijk drukte op de weg te ontmoeten. 
Ik pak nog gauw de ziekenfondskaart en doe hem in m'n tas. Ook andere papieren, want je kunt rooit weten.

Het is tien uur geweest. We moeten nu wel gaan. Maar Luciano maakt het niet goed. Hij heeft pijn. Hij, heeft het benauwd. Hij is bang. “Laten we maar thuis blijven, Christien,” zegt hij. 
Ik weet me geen raad. Misschien kan niet. Misschien willen we te veel. 
Maar vast en zeker is dit de laatste keer dat hij nog in staat zal zijn iets te ondernemen. Dit zal zijn laatste vakantie zijn; de laatste frisse lucht die hij zal ademen.
Hans zit naast Luciano met diens hand in de zijne. Hij zegt dat we alle tijd hebben. Alle tijd van de wereld. 
Dan zoekt Luciano met zijn ogen naar Corrie. Zijn hand gaat naar de hare en hij zegt met dat hese geluidje van hem: “Corrie, m'n moeder. M'n arme moeder in Italië...” 
Ik zit zachtjes te huilen. Volgens mij is hij bang. Doodsbang, dat er iets zal gaan gebeuren. 
Dan kijkt Luciano naar mij. “Ben je klaar, Christien? Dan kunnen we gaan.” 
Ik lach door mijn tranen. “Ja, Luciano, alles is klaar. We kunnen gaan.”

De reis duurt een uur ongeveer. Luciano voelt zich best. Hij geniet van het donker en daarin de lichtjes. 
In het huisje slaat een bed opgemaakt op hem te wachten, in de kamer. Hans slaapt in een zijkamertje, Corrie en ik op de zolder. 
Maar van slapen wil Luciano nog niet weten. We drinken chocolademelk en Luciano vertelt. Over Italië en over zijn jongensjaren als boerenzoon in het diepe zuiden, in de hak van de laars.

Ik hoor voor het eerst dat hij jaren achtereen van de lente tot de herfst samen met zijn opa op het land leefde, werkend onder de hete zon. Dat al dat werk net genoeg opleverde om het gezin in leven te houden. 
Hij vertelt en geen van ons drieën wil het verhaal onderbreken, hoewel ikzelf omval van de slaap en ook Hans kleine oogjes heeft. Het is al lang één uur geweest als we de zitting beëindigen.
Ik slaap tot zeven uur. Wil dan naar beneden vliegen met het schuldige besef dat ik geslapen heb. 
Corrie houdt me tegen. “Hoe laat is het?” vraagt ze. 
“Zeven uur pas? Schiet op. Draai je om. Ga slapen.” 
En ik slaap tot negen uur. Ik ga voorzichtig de ladder af. Hans heeft de tafel al gedekt. 
Ik ga naar Luciano, geef hem een kus en vraag hoe hij de nacht heeft doorgebracht.
Hij is wel een paar keer wakker geweest. Maar het ging toch. 
Na het ontbijt gaan we naar buiten. Luciano ‘s bed staat hoog voor het raam. Hij kan ons buiten zien zitten. Om beurten gaan we even bij hem buurten. 
's Middags wil Luciano zelf ook naar buiten. We rijden hem in de rolstoel. Hij wil zien hoe de buurman asperges steekt. Je ziet hem genieten van het gesprekje met de man, die behalve asperges een varkensboerderij heeft en ook elders nog gewas heeft staan.
Dan rijden we Luciano naar zijn buitenbed, dat naast de schuur is opgesteld. En zo ligt hij daar als een vorst uit te kijken over de moestuin en het veld erachter. 
Later leest hij in zijn Italiaanse boek, gaan Corrie en ik nog een fietstochtje maken. 
Brouwen we een Italiaans maal met veel olijven en een lekkere fles wijn, eet Luciano van alles wat mee, alsof dokter Moerman en zijn dieet nooit hebben bestaan, en gaan we vroeg want vermoeid slapen.

Dat is de prijs” denk ik

Nooit zal ik deze pinksterdagen vergeten. Zienderogen gaat Luciano achteruit. 
Was hij gisteren het ventje, vanmorgen, Pinkstermorgen, ziet hij er vreselijk moe uit. 
Uitgeteld ligt hij binnen, terwijl wij buiten in de zon praten over de toekomst, over Luciano en daarná. 
Zelf wil hij daarover geen woord horen en geen woord zeggen. Zo is hij. Hij is geen prater. Nooit geweest. Hij zal het ook nu niet worden. 
Plotseling schrikken we alle drie op. In de deur van het huisje staat Luciano. “Vooruit, genoeg gekletst, dames. Er moet ook gegeten worden.” 
Helemaal alleen is hij uit bed gekomen - wat hij al weken niet meer voor elkaar heeft gekregen en naar de deur gelopen. Eerst sprakeloos en dan lacherig kijken Corrie en ik elkaar aan. “Nou, komt er nog wat van,” roept Luciano. We vliegen op hem af. 
Laat-ie maar zeggen wat er dan allemaal gebeuren moet. 
Hans moet een vuurtje gaan stoken. 
Wij moeten de paprika’s aan een ijzeren pen steken, die moeten in het vuur om en om worden geroosterd en dan van hun velletje ontdaan. Want zo doen wij dat in Italië.
Vanaf zijn buitenbed gaat Luciano door met zijn aanwijzingen. Bazig, streng, alsof we stuk voor stuk domme kinderen zijn, die je alles moet voorkauwen. 
Zo hebben we die pinkstermiddag gegeten. Stokbrood, gebakken andijvie met olijven, geroosterde paprika’s en glazen wijn. En als het op is, zingen we het schone lied ,,Questa La Bella Vita" – “Dit is het mooie leven” – met Luciano in de solopartij.

Over de laatste dag van onze kleine vakantie hangt reeds een schaduw. Het is al een beetje voorbij. Maar het weer blijft mooi. Corrie en ik gaan nog wat fietsen. Hans blijft bij Luciano. Werkt in zijn tuin. Plant kool op aanwijzingen van Luciano vanaf zijn bed bij de schuur. Voor Luciano is 't het herbeleven van zijn jaren in Italië.
We eten die laatste avond weer buiten. De late zon maakt ons stil, zoals we zitten op ons landgoed met een staartje wijn nog in de fles. 
Dat is het moment waarop Luciano Corrie kust en bedankt voor deze dagen, en ook Hans en mij. 
Maar wie moet wie bedanken? 
We gaan weer zo laat mogelijk op pad, met Luciano op het geïmproviseerde bed voor in de auto. Halverwege hijgt Luciano van de pijn. Hij houdt het bijna niet uit. Erg genoeg is het druk op de weg, hoewel het al laat is. Maar Hans rijdt ontzettend hard. Thuis leggen we Luciano op de bank. Corrie en Hans gaan naar huis. 
Ik zit op de grond naast Luciano, die nu om een morfinetabletje vraagt. 
Dat is de prijs, denk ik. En ik bid, dat Luciano het niet een te hoge prijs zal vinden.

Ik lig naast Luciano. Ik hunker ernaar hem te voelen. Zijn vingers, zijn handen, zijn hoofd. Mijn lichaam beseft misschien nog beter dan ik hem nooit meer zal terugzien.

Christien, wat doe je veel voor me”

Er doet zich nu een mogelijkheid voor, dat onze zoon Umberto op vakantie kan naar Italië. 
Maar vooral ik ben erg bang om hem te laten gaan. Zes weken is een lange tijd. 
Ik moet erover praten met Umberto.
Misschien gaat zijn vader in die tijd dood en zal hij hem nooit weer zien. 
 Hij is al-negen jaar. Hij is groot en kan mij begrijpen. Maar gemakkelijk is het niet.
Umberto, nou moet je eens goed naar mama luisteren,” begin ik. “Je weet dat papa heel erg ziek is, hè?” 
“Ja, dat weet ik,” zegt hij. 
Hij kijkt me zo eens aan van wat doe jij nou gek. Lieve help! Ik weet niet hoe ik verder moet gaan. 
“Wat vind jij zelf van papa, Umberto?” vraag ik. 
“Dat hij nooit meer beter zal worden,” zegt hij prompt. 
Het helpt mij. Ik kan hem nu vragen of hij begrijpt dat papa dood kan gaan, terwijl hij weg is. Hij zegt dat hij dat begrijpt. Maar dat hij toch erg graag naar Italië wil. 
Luciano en ik stemmen ermee in, dat hij met een gezin uit Rotterdam meereist. De familie haalt hem dan op in Salerno. 
Hij blijft vier weken bij Luciano ‘s zus en komt dan met Gigi, zijn neef, terug naar Nederland.

Luciano krijgt nu steeds meer dood gewicht. Ik kan hem haast niet meer alleen van het bed tillen. Wanneer hij moet plassen, dan doe ik voorzichtig mijn hand onder zijn nek en help hem eerst rechtop te gaan zitten. Dan draai ik zijn benen buiten boord, zodat zijn voeten op de grond staan. Aan zijn armen trek ik hem overeind en dan zet ik hem op het “stilletje”, dat naast zijn bed staat. Ik laat hem daar voorzichtig op zakken en houd hem stevig vast. Soms begint hij zachtjes te huilen van de pijn. 
“Christien, Christien, wat doe jij veel voor me. Een andere vrouw zou nooit hebben gedaan, wat jij voor me doet.” 
“O jawel, Luciano. Elke vrouw zou dit voor haar man doen,” zeg ik. 
Ik laat zijn hoofd tegen mij aan rusten en streel hem over zijn haren. Maar ik moet me inhouden om het niet uit te schreeuwen: “Luciano, ik hou van je - ik kan je niet missen - ik ben niets als jij er niet meer bent.”
Ik ben zo bang me te laten gaan, want Luciano kan er niet tegen. En ik ben bang, dat ik er dan niet meer tegenop zal kunnen. 

We hebben de hele dag in de tuin gebivakkeerd. Ik zit in de zon, zodat ik wat kleur op m'n gezicht krijg. 
Luciano vraagt telkens of ik mezelf wil optutten, iets leuks aan wil trekken. Dat probeer ik iedere dag. 
De zon gaat langzaam onder. Bij een woonschuit, aan de overkant van de straat, stopt een autootje. Er stapt een vrouw uit, die naar ons kijkt en dan op ons toe komt lopen. Ik ken haar wel van gezicht; Corrie heeft me eens verteld, dat haar man aan kanker overleden is. Ze maakt een praatje. 
“Als u” zegt ze tegen Luciano, “eens een ritje met de auto wilt maken, dan doe ik dat graag. Dan rijd ik u langs het strand of zo. Of als ik u (tegen mij) ergens mee kan helpen, dan roept u me maar.” 
Ik bedank haar voor het aanbod. Ik ben er erg blij mee. Juist nu iedereen met vakantie is en ik bang ben Luciano ook maar eventjes alleen te laten, kan ik best iemands hulp gebruiken.
Al is het maar om boodschappen te doen. Ik zeg haar dat. Ik hoef alleen maar een lijstje te maken van wat ik nodig heb en zij haalt het voor me.

Ik ben zo gelukkig als ze er zijn”

Nog een paar dagen. Dan komt Umberto met zijn neef Gigi terug uit Italië. 
Luciano heeft Umberto een lijstje mee gegeven van dingen die hij graag wil hebben. Italiaanse groenten en slakken en meer van die dingen. 
“Ik ben zo gelukkig als ze er zijn, Christien,” zegt Luciano. 
“Ja, Luciano, en als jij gelukkig bent, dan ben ik het ook. En als jij pijn hebt, dan heb ik het ook,” zeg ik. 
“Kom naast me liggen,” zegt Luciano. 
“Ik kom naast je liggen,” zeg ik. 
Ik schop m’n schoenen uit en ga heel zachtjes naast hem liggen. Hij grijpt mijn hand en zo liggen we daar. 
Vaak zegt Luciano: “Aria di Casa” - Lucht van thuis. Hij bedoelt dat er iemand uit zijn geboortestreek komt. 
De zon schijnt Luciano ‘s ziekenkamer in en zet alles in wilde kleur.
Er zijn altijd bloemen in de kamer. 
Op het balkonnetje, waar je vanaf het bed uitzicht op hebt, heb ik bakken vol felle geraniums en petunia's gehangen. 
Om elf uur is Luciano gewassen en gekapt, is de kamer aan kant. Geen mooier moment voor een thuiskomst en een hereniging. 
Umberto loopt meteen door naar de slaapkamer. Gigi achter hem aan. Ze zijn allebei gespannen. Luciano pakt Umberto vast en geeft hem een kus.
Ik heb pijn, Umberto,” zegt Luciano. “Ik heb almaar pijn, en hij wijst naar zijn borst. Umberto wrijft erover. 
Gigi heeft hem al die tijd zwijgend aangekeken. Als het zijn beurt is om Luciano te begroeten, zoent hij hem op beide wangen.
Ik schuif een stoel aan. 
Nauwelijks hoorbaar zegt Luciano: “Gigi, ik ben zo gelukkig dat je er bent.” 
Hoewel het hem moeite kost om te praten, vraagt Luciano hem van alles over thuis. 
Ik laat ze alleen. Umberto komt me achterna. 
“Wat is papa mager geworden,” zegt hij. “Ik kende hem haast niet meer.” 
Ik bewonder Gigi, een jongen van twintig. Hij houdt zich goed, terwijl hij zo maar plots voor een bijna-dode staat, die hij alleen maar in goeden doen heeft gekend. Ik bewonder hem, omdat hij zijn vakantie opoffert voor een zieke oom. Want hij weet hoe slecht Luciano is, en dat er van vakantie houden geen sprake kan zijn.

Een hoop belangstelling

Richard is geweest. Met zijn konijn. Hij brengt het beestje mee in een mandje. 
Dat zet hij op Luciano ‘s bed. 
Het konijntje neemt hij eruit en hij zet het op de buik van Luciano. Luciano vindt de bezoekjes van Richard en zijn konijn heerlijk. 
Hij heeft ze een tijdje gemist, omdat de jongen met vakantie was. Maar nu ligt het grijze konijntje net zo rustig op Luciano ‘s buik,-alsof het er altijd gelegen heeft. Het laat zich strelen en behalve de snuffelende neus beweegt er niets aan het dier. 
“Hij wordt groot, Richard,” zegt Luciano. 
Dan plukt de jongen het konijn weer van Luciano ‘s buik en gaat het thuisbrengen. Na zo'n bezoekje kan Luciano nog heel lang liggen glimlachen...

Wat is de verpleegster die Luciano komt wassen en verzorgen, toch een fijne meid. 
Ze is altijd opgeruimd, hoewel ze toch de hele dag door zoveel ellende meemaakt. Van de ene doodzieke naar de andere. 
Over zijn ziekte praat Luciano nooit met haar. 
Maar hij probeert haar altijd zo lang mogelijk bij zich te houden. Hij smeert haar koffie aan en als ze dat blijft weigeren, omdat ze overal al koffie heeft moeten drinken, dan moet ze toch minstens een glaasje limonade nemen. Dat doet ze dan zuchtend, terwijl Luciano in bed ligt te glunderen. 
Als het moment van de wasbeurt is gekomen, staat Angelica zich altijd te verkneuteren, wanneer in de holte tussen haar vaders buik en borstkas het water blijft staan. Dat noemt ze papa's badje...
Nu biedt de zuster aan om vanmiddag bij Luciano te komen zitten. 
Tijden geleden al heb ik Angelica een lange jurk beloofd. Maar ik durf Luciano geen minuut meer alleen te laten. 
“Gaat u maar rustig winkelen,” zegt de verpleegster. “Ik kom vanmiddag terug. Ik heb thuis nog wat platen van Italiaanse zangers. Zal ik die voor u meebrengen, meneer?”
Als ik terugkom mét een lange jurk voor Angelica, heeft de zuster naast Luciano ‘s bed wat naaiwerk zitten doen. Met arbeidsvitaminen uit Italië. 
Dan blijkt ook pater Marcello nog te zijn geweest en ze zegt: “Wat heeft uw man toch altijd een hoop belangstelling. Dat zie je niet vaak. Maar ja... het zijn ook doorgaans oudere mensen bij wie ik kom."

Is het nu nog niet genoeg geweest?” denk ik
Waarom moet iemand zo lijden?”
Maar als hij zich goed voelt, dan ben ik gelukkig
en geniet ik van elk moment

Bang, maar niet voor de dood

Ik weet niet eens waar ik het meest bang voor ben. Zeker niet voor de dood van Luciano. Daarvoor niet. Maar wel voor wat er allemaal kan gaan gebeuren. 
Ze hebben mij genoeg gewaarschuwd voor wat er zich kan voordoen, voordat het einde werkelijk komt. 
Ik leef voortdurend met de woorden van de specialist: dat ik er nog lang niet ben. En dat ik Luciano misschien toch op de duur naar het ziekenhuis zal moeten laten vertrekken. Daarvoor ben ik het meest benauwd, geloof ik. Als Luciano toch, om de een of andere reden, naar het ziekenhuis zou moeten, dan zou hij zich door iedereen verlaten voelen. Zelfs door zijn eigen vrouw.
Dat lijkt me verschrikkelijk. Ik stel me dat voor, Ik weet nog hoe het was op de zaal, die allereerste keer in hel ziekenhuis. Je neemt afscheid. Luciano trekt me naar zich toe, houdt me stevig vast, kust me. Laat me niet gaan, terwijl al het andere bezoek al weg is. Vijf vreemde kerels kijken naar jou en je man en steken hun commentaar niet onder hun bedden. “Zo - ga je lekker?...”
Moet dat dan nu weer gebeuren? Dat je je gevoelens moet onderdrukken - dat je je eigen man niet mag strelen en aanraken, je man, die je nog maar een paar keer in je leven zult zien?

Luciano in het ziekenhuis. Nu al durven veel van zijn kennissen niet op bezoek te komen, bang als ze zijn voor de dood in Luciano ‘s gezicht. 
In het ziekenhuis zullen zij helemaal verstek laten gaan. Voor zijn door kanker verziekte lijf kan niemand meer iets doen. Alleen de pijn valt weg te vagen. Met middeltjes die hem tegelijk doof en blind voor zijn omgeving zullen maken... Ik wil er niet aan denken. Maar ik denk eraan. En als ik eraan denk, loop ik weer even bij Luciano binnen. Zie hem liggen in zijn bed. Hij glimlacht me bemoedigend toe.

Een enkele keer gebeurt het dat Luciano zin heeft in een ritje met de rolstoel. Hans en Gigi dragen hem met wagentje en al naar beneden. 
Hoewel het 6 augustus is en het om half zes nog flink warm is in de namiddagzon, heb ik Luciano zijn winterse bontmuts op moeten zetten. Het leven heeft zich al zover uit hem terug getrokken, dat hij het koud heeft, overal en altijd. Ze maken het bekende blokje-om. 
Richting brug en water, dan de flat om tot aan het tegelpad. Terug bij onze voordeur beduidt hij de jongens dat hij verder wil. 

Zijn stem is de laatste dagen zo zwak geworden, dat je je oor helemaal bij Luciano ‘s mond moet brengen om te kunnen horen wat hij zegt. Zo gaat Luciano - meer hangend dan zittend in de rolstoel, met schommelend hoofd op de breekbare dunne nek - de brug over. Hij kijkt naar weerskanten over het water. Links de sluiskolk, de woonboot van onze nieuwe vriendin; rechts nog meer woonboten en verderop jachtjes van de watersporters.

Ze rijden langs de kerk, het schooltje van Angelica, de grote school waar Umberto op zit. 
In de deur van de groentewinkel staat de oude groenteman. Luciano zag hem dagelijks in de periode dat hij de boodschappen deed en ik werkte. Blij een oude bekende te zien, steekt Luciano zijn hand dan ook op, maar de groenteman herkent hem niet. 
Nu weer richting huis. Langs de radiozaak, de poelier en de sekswinkel. Als hij ter hoogte is van de winkel van zijn vriend de bakker, tilt Luciano het hoofd op. Wil zwaaien. Maar in de winkel is geen mens meer te zien. Dus valt de hand terug in zijn schoot. Over de sluis, de dijk af naar de flats. Luciano heeft zijn afscheidstournee erop zitten.

In de avond komt Loesje, de vrouw van de bakker. Ik ben bezig Luciano ‘s voeten te wrijven, zoals de zuster ons heeft geleerd. Niet alleen zijn voeten zijn dik en koud - ook zijn linkerbeen is abnormaal gezwollen. 
De bakkersvrouw, die de hele zaterdag in haar stampvolle winkel heeft gestaan, zegt dat ik wat moet rusten. Zij zal het wel doen - ze is immers verpleegster geweest?

God - wat dank ik U voor sommige mensen. Na een uur of wat komt bakker Maarten zelf ook. Luciano mag hem graag. 
“Ik zal maandag of dinsdag Gigi eens een dagje meenemen naar de molens in Kinderdijk,” zegt Maarten. “Dan ziet die jongen ook nog een beetje van ons land, in zijn vakantie.” 
Gigi kijkt vragend op. Hij verstaat geen woord van wat wij zeggen. Maar Luciano knikt blij. “Dat moet je doen,” fluistert hij. “En jij moest maar meegaan,” zegt Maarten tegen mij. “Dan kun je voor tolk spelen. Anders begrijpt hij er nog niets van.” 
Ik kijk naar Luciano. 
“Ik kan hier niet weg,” zeg ik tegen Maarten. 
“O, maar dan kom ik hier zitten,” zegt Loesje. “En Corrie komt vast ook nog wel. We klaren het best.” 
“We zullen wel zien,” zeg ik diplomatiek. Maar ik wil ook graag, dat Gigi in zijn vakantie nog wat anders ziet dan alleen de onttakeling van zijn oom.

Ben ik de schuld van mijn mans lijden?”

De dokter zit op het puntje van een stoel een recept te schrijven. 
“Hebt u zelf niets nodig?” vraagt hij. 
“Nee, dank u,” zeg ik. Ik heb genoeg van die rommel in de kast.
Luciano bezweert me telkens niets te slikken. 't Is allemaal troep, zegt hij. Je raakt eraan verslaafd. Je haar valt ervan uit - dat is toch niet natuurlijk? ... 
De dokter klapt zijn boekje dicht en geeft mij het recept voor Luciano. 
“Weet u,” zegt hij dan terloops, “weet u, dat u eigenlijk uw mans lijden aan het verlengen bent?” 
Ik schrik me wezenloos. “Verlengen?” vraag ik. 
“Ja,” zegt hij. “Als u goed zou vinden dat uw man naar het ziekenhuis gaat, dan duurt het niet zo lang meer."
Ik blijf stom naar de dokter staren. Het raast in mijn kop. Ik denk tien, twintig dingen tegelijk. Doe ik het fout? 
Doe ik het goed? 
Wat weet ik hiervan? 
Ben ik de schuld van mijn mans lijden? 
Van onnodig lijden? 
Telt het thuis-zijn dan niet mee? 
Maak ik Luciano het slachtoffer van mijn eigenwaan? 
De dokter neemt mijn zwijgen voor vragen om uitleg. 
“Uw man zou in het ziekenhuis andere medicijnen krijgen. Zwaardere. Die verminderen de weerstand. Die verkorten het lijden dus.” 
Ik zwijg nog steeds. In de ogen van de huisarts ben ik een vrouw die onverantwoordelijk omspringt met haar man. Die hem een snelle dood onthoudt. 
Maar Luciano zelf, doet hij er niets toe? 
Als hij in de rolstoel rijdt, naar de bloemen kijkt en zijn doodskop door de zon laat strelen? 
Als hij mijn hand vasthoudt? 
Als hij het konijn van Richard aait of naar Gigi lacht. 
Als hij zich het ventje voelt, gewassen en geschoren door de zuster, geurend naar lavendelwater onder zijn roze sprei? 
Als hij zó leeft en zo afscheid neemt van zijn bestaan, van ons bestaan tezamen - ben ik dan een kreng, dat hem zijn einde misgunt? 
Ik geloof wel dat de dood hem nu welkom zal zijn. Maar zeker zal hij elke bewuste verkorting van zijn leven afwijzen. Dat heeft hij nooit zo gezegd; ik wéét het. 
“Hoe lang nog als hij thuis blijft?” vraag ik de dokter. 
“Misschien twee weken,” zegt hij. 
“Dan blijft Luciano die twee weken nog hier,” zeg ik hard. “Zolang er geen apparaten nodig zijn, kan ik voor hem zorgen. En dat zal ik doen ook.”

Ik lijk uiterlijk zo zeker van mijn zaak, wanneer ik de dokter uitlaat. Maar van binnen woeden er stormen. 
Wie ben ik, domme kip, dat ik het beter weet dan de dokter? 
Is het handjevol mensen, dat zich als vanzelf om het ziekbed van Luciano heeft geschaard, niet een stel goedbedoelende maar miskleunende amateurs? 
Is het op zich al niet fout, dat amateurs zich bemoeien met iets dat zo helemaal een zaak lijkt voor professionele verzorgers? 
Waar ben ik ooit een stervende tegen gekomen? 
Een man of een vrouw, hoe oud ook, die ergens in een kamer, in een huis met mensen, in familieverband lag te sterven? 
Heb ik ooit van mensen gehoord, die zo'n stervende ergens hebben ontmoet? 
“Christien,” heeft de pastor van onze kerk gezegd, “in mijn praktijk als priester is het de eerste keer, dat ik zo'n begeleiding van een stervende door vrienden meemaak.”

Hoe kunt u dat allemaal opbrengen? U moet wel
hard zijn” “O” zeg ik bedaard, “dat geloof ik niet.
Ik geloof dat ik van m'n man houd en het daarom
kan opbrengen hem te verzorgen.”

Ik ben dus een zonderling. 
Arme andere mensen die sterven, en die dat niet thuis mogen doen, denk ik in mijn hoogmoed. Want onder de paniek van het moment ligt de zekerheid dat ik gelijk heb. 
Dat het niet onmenselijk is een zieke zijn efficiënte opberging en dood in een ziekenhuis te onthouden. 
Dat het juist alleen maar menselijk is, als een man mag doodgaan in het huis waar hij samen heeft geleefd met zijn vrouw en kinderen, in de kamer waar hij met zijn vrouw heeft geslapen, Mijn man lijdt. Hij krijgt de dood niet cadeau. Maar iedere keer dat hij zijn ogen opent, om uit te rusten van de uitputtingsslag die hij levert, weet hij zich thuis, is hij op bekend terrein, onder eigen mensen. Hij speelt een thuiswedstrijd met de dood. En da's half gewonnen. Denk ik.

Hoe ik het kan, weet ik niet”

Maandagavond treedt voor het eerst de waakploegendienst in werking. 
Zover is het nu met Luciano gekomen, dat we hem 's nachts niet meer alleen willen laten. 
Hans heeft de eerste dienst- De volgende nachten zullen Corrie, Wim, Gigi, mijn vader en ik voor onze rekening nemen. Het is een komen en gaan van bezoekers nu. Korte en rustige bezoekjes - het lijkt alsof het ergens allemaal wordt georganiseerd.

Het blijft almaar prachtig zomerweer. De kamer van Luciano heeft een zacht licht, doordat de gordijnen half toe zijn. De deur van Luciano ‘s kamer naar het balkonnetje staat open. Mannen die even op bezoek zijn, lopen naar buiten om een luchtje te scheppen of een sigaret te roken. Ik zie al die mensen, en ik zie ze toch niet. Ik leef in een droom.
Om 's nachts wat te slapen slik ik toch een pil - ik ben er overdag suf onder. Al mijn aandacht bewaar ik voor Luciano. Dus loop ik als een lang en mager spook door het huis.
Ik ben er blij om, dat Luciano nu ook weer af en toe mijn zus en broer ziet. Die zijn lang niet geweest. En vooral op mijn zusje is Luciano altijd verkikkerd geweest. Hij heeft haar gemist. Ze durfden niet te komen. Eerst omdat ze bang waren om de aftakeling van Luciano te zien; later omdat ze zich niet zouden kunnen excuseren voor hun lange wegblijven van Luciano ‘s ziekbed. 
Ik verbaas mij over de angst die sommige mensen hebben op de dood in iemands gezicht onder ogen te zien. Dat je geschokt kunt zijn, begrijp ik wel. Maar bang? Wat zijn wij dan diep gezonken, als wij met de natuurlijke neergang van een mens tegen elke prijs onbekend willen blijven.

Al vroeg komt Wim. Het is zijn waakbeurt, maar hij is er al om half acht. Om acht uur komt Thea van de woonboot vragen of ik mee ga uitwaaien aan het strand. Ik voel er niets voor. Maar Wim dringt aan dat ik zal gaan. Even maar. Ik laat me overhalen, maar al onderweg heb ik spijt. Van uitwaaien komt niets. In een strandpaviljoen drinken we een kopje koffie en dan gaan we op mijn aandringen gauw naar huis.

We zijn amper binnen of Luciano krijgt een aanval van benauwdheid, zoals hij nog nooit heeft gehad. 
“Heeft hij al een tablet gehad?” vraag ik gejaagd aan Wim. 
“Ja,” zegt die, “misschien een half uur geleden.” 
Ik geef Luciano nog een verdovend middel en we wachten op de uitwerking ervan. Het helpt niks. Luciano ligt wild te schudden met zijn hoofd.
We proberen hem omhoog te leggen in de kussens, maar hij gilt het uit. 
“M'n nek, m'n nek,” hijgt hij. “M'n nek doet zo'n pijn.” 
Dan moet hij braken. Hij brengt zichzelf omhoog om lucht te krijgen. Maar Thea duwt zijn hoofd opzij. Trekt zich niets aan van Luciano ‘s woest zwaaiende armen, maar rolt hem op zijn kant. 
Thea commandeert. Doe dit. Pak dat. Haal weg. Geef hier. Bel de dokter. Ik doe wat ze zegt. Hoe ik het kan, weet ik niet. Ik bel de dokter. Zeg wat er aan de hand is. Hoor dat er capsules moeten worden opgehaald. Wim fietst naar de apotheek om de capsules te halen. 
Wij staan dadenloos bij Luciano, wiens ogen groot zijn van angst en benauwdheid. Alleen Thea is zichzelf, lijkt onaangedaan en trefzeker in alles wat ze doel. 
“Ga jij maar weg,” zegt ze tegen Gigi, die met zijn hoofd tegen de muur staat te huilen. “Aan jou hebben we niks.” Ik vind het een onredelijk standje, maar breng hem naar Umberto's kamer.
Wim is gauw terug met de capsules. Ze maken de benauwdheid zienderogen minder. Grote zweetdruppels staan op Luciano ‘s voorhoofd. Ik neem een nat en koel washandje en bet er zijn voorhoofd mee. Even opent Luciano de ogen en sluit ze dan weer. Hij is gekalmeerd.

Wat zou je graag, Luciano?”

De kalmte van Luciano jaagt me angst aan. 
Iedereen is weg. Ik ben alleen met Luciano. Ik kijk naar hem. Zo stil en onbeweeglijk heeft hij nog nooit gelegen. 
Ik bel de pastor. Hij komt meteen. Op zijn tenen stapt hij de slaapkamer binnen. Kijkt naar Luciano en zegt: “Hij is er slecht aan toe, Christien. Ik zal hem het sacrament van de zieken geven. Ik ga even naar de pastorie - ik ben zo terug.” 
Op dat moment doet Luciano de ogen open. De pastor zegt tegen hem: “Luciano, ik ga je het sacrament van de zieken geven. Is dat goed?” Traag knikt Luciano. 
Als de pastor hem zalft en de gebeden over hem spreekt, geeft Luciano geen teken van leven.
Na afloop zet ik koffie voor de pastor en mijzelf. Wil praten. Dan blijf ik weer achter. 
Mijn vader is er met zijn vrouw. Het is zaterdagmiddag. Luciano is weer bijgekomen. “Christien,” zegt Luciano, bijna onhoorbaar, “ik zou zo graag...” 
“Wàt zou je graag, Luciano?” vraag ik. 
“lk zou zo graag van die Italiaanse kaakjes willen hebben, die je in de warme melk moet soppen. Weet je wel, Christien...” 
Het duurt lang voordat hij dit gezegd heeft en je kunt het nauwelijks verslaan. Ik zoek de kaakjes in de keuken en maak melk warm. Als ik ermee binnenkom, zegt Luciano: “lk wil graag tussen jullie in zitten.” 
Ik sta versteld van zijn ijzeren wil en zijn kracht. We helpen hem omhoog en dragen hem naar de bank. Daar kan hij tussen mijn vader en mij in zitten. Luciano legt zijn hoofd op mijn vaders schouder. Zo voer ik hem van de zacht geworden kaakjes. Als hij een stukje heeft weggeslikt, knikt hij ten teken, dat hij nog wat wil. Zijn ogen staan glazig, maar hij glimlacht naar mij.
De rest van de dag slaapt Luciano. 
Om zes uur gaat de vrouw van mijn vader naar huis. Mijn vader wil er niet van horen mij alleen te laten. Hij weet dat ik de afgelopen nacht niet heb geslapen. Hij zegt dat ik moet rusten. Dat hij zelf zal waken. Ik ben bijna kwaad op hem dat hij me naar bed stuurt. 
“'t Is míjn beurt om te waken,” zeg ik als een jengelend kind. 
“Komt niks van in,” zegt hij.

Vroeg in de avond komen er nog wat mensen langs. De bakker en zijn vrouw, een Italiaanse vriend, Thea. 
Maar ze zijn spoedig weer weg. En ik ga naar bed. Eerst zeg ik Luciano wel te rusten. “Luciano,” zeg ik. Hij opent de ogen. “Ik ga nu slapen. Vader blijft bij je vannacht. Is dat goed?”
Hij knikt. Maar bedenkt zich. 
Zegt in het Italiaans: “Maar als ik nou wat nodig heb, Christien. Je vader is een beetje doof, misschien hoort hij me niet.” 
Ik moet mijn vader vertellen wat Luciano gezegd heeft. 
Hij pakt Luciano ‘s hand en zegt: “Je hoeft echt niet bang te wezen. Ik ga hier op de bank zitten lezen. Ik zal niet in slaap vallen.” 
Ik geef Luciano een kus en ga naar bed. Het is elf uur. 
Twee uur later maakt mijn vader me wakker. “Christien, ik geloof dat Luciano dood is.”

Op zondag 15 augustus 1976 is mijn man gestorven. Zacht en vredig. Na een geduldig gedragen lijden. Hij was drieënveertig jaar oud




Deze weblog is een (bewerkte) weergave van een voor Margriet bewerkte uitgave van de aantekeningen van Christien.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten